“Ik vind dat je grootouders ergens ver weg moeten zitten en niet elke dag over de vloer moeten komen”, schrijf ik op 19 juni 1976 in mijn dagboek. “Dat is bij ons wel zo. Bah, bah, ik doe alles verkeerd en mijn moeder commandeert vanuit haar ziekenhuisbed!” Een paar jaar eerder noem ik oma nog “erg lief, ze neemt lolly’s mee” en vermaak ik me tijdens het saaie logeren met lezen en puzzelen. De transformatie van kind naar puber voltrekt zich.
Ik kom bijna niet door mijn dagboeken uit die tijd heen. Ik lees ze diagonaal. Hoewel ik overduidelijk Anne Frank naboots, heb ik bepaald niet haar talent.
Op mijn twaalfde haal ik mijn ‘diploma machineschrijven’. Ik ga fanatiek naar de cursus en ben apetrots op mijn typediploma. In de brugklas verlies ik mijn elan. Het leren komt me niet aanwaaien.
Ik beleef een platonische verliefdheid op een jongen uit de klas (E). Ik ben jarenlang verontrustend verliefd. Al dit bewonderen op afstand gaat ten koste van mijn leerprestaties. Mijn zelfrespect is laag. Ik loop die jongen de hele dag achterna (gooi mezelf te grabbel zie ik nu).
’s Avonds breng ik minutieus verslag uit in mijn dagboek. Wie zei wat en wanneer? Welk modderfiguur sloeg ik vandaag? Hoe maak ik die ruzie met mijn vriendin weer goed ? Wat denkt E van mij? Waarom doe ik altijd onhandig en stom? Het verkeerde merk spijkerbroek kopen is een onvergeeflijke blunder. Zelfbeklag, het houdt niet op. ‘Zeur niet zo’, wil ik mijn vroegere zelf toeroepen.
Ik ploeg door mijn kriebelige handschrift en kom gelukkig pareltjes tegen die het herlezen de moeite waard maken. Lees mijn zelfinzicht eind basisschool (1974): “Voor kleuterjuffrouw ben ik niet geschikt. Daarvoor heb ik te weinig geduld. Ik zie meer in toneel of journalistiek.” Eenmaal op de havo heb ik geen idee meer en leef ik met de dag.

Zakgeld is een onderwerp. Eindeloos tel ik guldens en kwartjes en overweeg wat ermee te doen: sparen, maar ook niet schromen verlangens in vervulling te laten gaan. Een tienertoer met vriendinnen blaas ik af om kleding en de nieuwste lp van Julien Clerc te kunnen kopen. In 1976 beheer ik het huishoudgeld als mijn moeder in het ziekenhuis ligt. Ik breng achteraf keurig verslag uit. Net ontslagen weer thuis, staat haar hoofd echter nog niet naar cijfers. Verbolgen over haar gebrek aan aandacht, schrijf ik een woedende tirade in mijn dagboek. (“Stank voor dank!”)
Over mijn broers lees ik weinig. Kennelijk hebben zij in die tijd bijrollen in mijn leven. Broer W is geslaagd voor zijn mavodiploma. In een later tussengevoegde bijzin merk ik op: “hij is nog weken aan het fuiven geweest”. Grappig! Broertje A moet ik naar bed brengen als mijn moeder opgenomen is. Ik ontkom niet aan een “belachelijk” toneelstuk van broer P, precies op de tijd dat Toppop op tv is. Mijn leven is meteen waardeloos. Wat kan een 14-jarige hartgrondig balen!
Mijn zus fungeert bij tijd en wijlen als vervangend moeder. Ze gaat met me mee naar de kaakchirurg als ik een operatie moet ondergaan. Daarna gaan we winkelen in Breda. Met een dikke wang zoek ik laarzen uit, want dat was het plan en laat ik me niet ontnemen, het hoogtepunt van de middag.
Tussen servet en tafellaken leef je in een wereld die verborgen is voor volwassenen. Denk maar niet dat ik als jong meisje mijn diepste geheimen prijsgeef, ook niet als volwassenen aandringen. Ik maak huiswerk, ga naar school, luister naar muziek, hang rond met vriendinnen, ben heimelijk verliefd en wantrouw ouders en leerkrachten. Heel normaal en braaf allemaal.
Mijn leven thuis is minder gewoon. Mijn vader maakt een opmerking over de afwas die gedaan is en de koffie die doorloopt als hij thuis komt van het bezoekuur. Hij is trots op mij. Als hij overleden is en mijn moeder vaker in het ziekenhuis komt te liggen, is er geen troost meer. Zus M is jong ‘de zorg in’ gegaan (woonde op haar zestiende al in een zustersflat te E). Mijn broers hebben hun eigen taken nu vader weggevallen is. Een flink meisje zijn, geeft me op mijn twaalfde nog voldoening. Eenmaal veertien, heb ik het moeilijk. De zware situatie lees ik met zoveel woorden in de beduimelde schriftjes en boekjes terug. (“Erg zwaar, ik zal dan ook niet veel aan vakantie toekomen”.) Ik voel me als een sloofje behandeld. Ik spuug nijdig slordige zinnen op papier: “Moeder maakt me verwijten. Iedereen doet dat. Ik heb het altijd gedaan en alles komt op mij neer”. Achteraf vind ik mijn uitbarstingen niet overdreven. Ik stond er alleen voor. Tenminste dat gevoel had ik, want uitgestoken handen heb ik dus genegeerd. Ik schaamde me voor van alles, was trots en het risico zwaar voor schut te staan, achtte ik groot. Rug recht. Niemand zou mij begrijpen.
Ik sluit dat jonge meisje op de foto postuum in mijn armen. Ze zeurde inderdaad over futiliteiten, maar ze ging niet ten onder in haar pittige bestaan en droeg al jong verantwoordelijkheid op haar sterke schouders.

Maaike, zo veel herkenbaars als ook voormalige tiener meisje met teveel verantwoordelijkheden, maar toch helemaal je eigen verhaal. Een goed geschreven verhaal omdat het de lezer raakt terwijl het vertelt jouw verhaal. Echt de moeite waard van het lezen.
Ik kan alleen maar diep respect hebben… een puber die veel te veel op haar schouders heeft.
Ik bedenk dat ook nu veel kinderen zijn die een alles behalve onbezorgde jeugd hebben: hoop dat het opgemerkt wordt …
Nou, nou wat een persoonlijk verslag van lang geleden. Dat meisje ontmoette ik een paar jaar later. Als ik dit had geweten, dan zou ik veel kanten van haar herkent hebben.
Toen was het natuurlijk aftasten en veel praten over de dingen die ons bezig hielden.
Maaike van toen was nog wel boos op haar wereld. Ze vond het allemaal niet eerlijk en miste duidelijk haar vader.
Ik heb geweldige herinneringen aan haar. Ze was ook ongelooflijk lief, wat ik niet altijd voldoende heb ingezien. Ik was jong en vaak onbezonnen.
Maaike, wat geef je mij hier een bijzonder inkijkje in je privé van toen!
Toen, toen je van je vader nog complimenten kreeg die je als pubermeisje zo nodig hebt maar die je na zijn plotselinge overlijden en door de gesteldheid van je moeder niet meer voldoende leek te krijgen.
Ik besef nu hoe waardevol het is dat jouw dagboeken steeds met je meegereisd zijn.