Sociale academie

De switch van werk naar studie brengt niet het verhoopte geluk en zelfvertrouwen. Ik ben in het spannende studentenleven gedoken, maar in mijn dagboek is het nog geen feest:

“Ik ben meestal niet gelukkig, dat vind ik heel erg. Ik zou zo graag anders zien. Ik voel me eenzaam. Ik wil contacten, vrienden, maar me openstellen ho maar.”

Op de Rabobank paste ik niet tussen de medewerkers. Eenmaal in een totaal andere omgeving val ik opnieuw buiten de boot. Althans, zo voel ik het. Uit het fragment blijkt ook dat ik de schuld bij mezelf zoek: ik stel me niet open. Je kunt jezelf volwassen verklaren, een serieuze relatie hebben, zelf gordijnen kopen, gaan samenwonen, mooi zijn, er stevige politieke standpunten op na houden. Het helpt allemaal niet.

“Heel vroeger dacht ik dat mijn leven niet moeilijk meer zou zijn als ik eenmaal een vriend zou hebben. Ik ben er inmiddels achter dat je het in de kern toch allemaal zelf moet doen. Ik ben zo onzeker. Ik wankel te vaak.”

Het stormt in mezelf. René is een stabiele basis en ik maak mezelf wijs dat ik niets of niemand anders nodig heb. Hij is mijn enige houvast. Intussen hunker ik naar echte antwoorden, vervulling en rust in mijn zielenleven. In mijn dagboek lees ik zelfs over een paniekaanval.

En intussen maar stoer doen. Politiek ben ik ontwaakt. Ik loop in protestdemonstraties mee en pleit voor goede zaken: vrouwenrechten en vrede. Hoewel René en ik politiek uit een ander vaatje tappen (hij VVD, ik PSP, de posters hangen zusterlijk naast elkaar voor ons raam) zit onze man-vrouwverhouding wel goed. Ik breng hem zelfs ‘het feministische vrijen’ bij. Vroeger hadden mannen nog veel te leren op dat gebied. In de jaren tachtig sijpelde het emancipatoire gedachtegoed door naar de gewone vrouw en man. René staat er welwillend tegenover.

Maar van binnen ben ik bang. Ik weet niet hoe het moet, leven. Op de Sociale academie kom ik mezelf keihard tegen.

De theoretische kant van mijn studie gaat me goed af. Ik vind alles interessant. Ik slurp alle kennis naar binnen en maak ijverig opdrachten. In de praktijk, tijdens diverse stages, is het moeilijk om me staande te houden. Men vraagt iets van me wat ik nog niet kan geven. Ik loop op mijn tenen. Het is een strijd.

Ik herlees mijn stageverslagen. Na organisatieschema’s en verhandelingen over het vakgebied eindig ik met een relaas over mijn persoonlijke ontwikkeling. Wat ik daar allemaal niet tegenkom! Mijn kritiek op mensen en instanties is niet mals. Ik verzet me met hand en tand. Ook tegen docenten en begeleiders. Uiteindelijk kan ik niet stoïcijns volharden in mijn ingesleten manier van doen. Een harde leerschool jaagt me door mijn ontwikkeling, dwingt me tot verandering.

Ik heb stage gelopen bij een Sosjale Joenit (ja, dat schreef je zo). De Joenit deed aan verslavingszorg en begeleid wonen. Het is 1983, de leiding van die organisatie leeft nog volop in de geest van de jaren zeventig. We krijgen elke twee maanden een training gebaseerd op de ideeën van Wilhelm Reich. Bio-energetica: het lichaam wordt gezien als een systeem waarin gefrustreerde of onverwerkte emoties worden opgeslagen. Dit pantser moet worden doorbroken via bodywork, van schreeuwtherapie tot danssessies. Daar kom ik in terecht als meisje uit Fijnaart uit een gezin in rouw, zich vastklampend aan de liefde, vroege twintiger, een overlever die (inderdaad!) veilig achter haar pantser leeft.

Kritiek is mijn wapen:

“Die trainingen zijn er alleen maar om mensen zo te binden dat ze niet meer buiten de Joenit kunnen. Het is immers de enige plaats waar je al je emoties kwijt kan, waar je rotte dingen van vroeger kunt verwerken, waar je vrienden hebt die precies hetzelfde meemaken, zodat je je nergens beter begrepen voelt dan daar. Niet dus voor mij! Ik wil er niet bij horen. Ik wil mijn veilige bestaan (lees: René) niet op losse schroeven zetten. Ik ben zo toch ook gelukkig? Waarom moet ik dan alle dingen anders gaan zien, zodat ik bestaande relaties ga betwijfelen en alleen maar aangewezen ben op mensen van de Joenit. Ik wil het niet, en daarmee uit!

Na een hele dag met een blinddoek op, zonder te mogen praten en talloze meditaties, breek ik. De eerste tranen uit machteloosheid rollen over mijn wangen. De spanning in mij is niet meer te harden. Tijdens een evaluatie, na een spervuur van vragen en aanmoedigingen (‘Laat nu eens zien wat je voélt!’), krijg ik een enorme huilbui en breng ik hortend en stotend uit wat er in mij huist.

Ik blijk kwaad. Over mijn jeugd, het gebrek aan steun, de eenzaamheid, het onbegrepen voelen, altijd sterk moeten zijn. Alle woede komt eruit. Het raakt me diep dat mensen mij voor gevoelloos verslijten. Die indruk wekken kan de bedoeling niet zijn. Dat moet veranderen. Zo zie ik mezelf niet. Ik heb gevoelens te over, alleen zitten ze muurvast. Tot die dag.

Ik zie in dat een training er niet zozeer is voor het eigenbelang van de Joenit (die ik met een sekte vergelijk). Men wil mensen leren open te staan. Als je jezelf bloot durft te geven, dan is er pas eerlijke communicatie mogelijk. Pas dan ben je in staat een ander te zien. Pas dan ben je een goede hulpverlener.

Er staat me nog een lang leerproces te wachten.

Ik heb altijd gedacht dat ik een gevoelig persoon was. Ik heb echter ook een andere kant. Hier ben ik op de Sociale academie pas goed achter gekomen. Het is de praktische, nuchtere, zakelijke kant. Ik schrik ervan. Ik vind die eigenschappen niet zo positief. Het klopt niet met het beeld van mezelf, waar ik sinds m’n tienertijd in ben gaan geloven, namelijk: verlegen, romantisch, serieus, gevoelig. 

De volgende stage zoek ik uit op praktisch bezig zijn met meer organisatorische taken. Ik moet gezinnen en huishoudelijke hulpen aan elkaar koppelen en het proces begeleiden. Het gaat op mijn nieuwe plek allemaal anders (geen groepstherapie meer), maar ik krijg dezelfde verwijten naar mijn hoofd. Stagebegeleider M vindt me een schim die stilletjes haar werk doet en zich verder nergens mee bemoeit. Uit het stageverslag:

M verwijt me ongevoeligheid. Als ik op kantoor niets laat blijken van gevoel en medeleven, kan ik onmogelijk de cliënten wél helpen. Ik doe niet lekker mee. Ze moet alles uit me trekken. En waarom was ik eigenlijk op de Sociale academie gegaan? M vindt me ongeschikt. Ik krijg het vreselijke gevoel van déjà vu. Heb ik dit alles niet ook al op mijn vorige stage gehoord? Is het dan toch waar? Een ongevoelige, kille persoonlijkheid aan wie niemand iets heeft, ontzettend! Ik ben totaal van de kaart en kan alleen nog maar huilen. Ik ben verslagen.

Het komt niet meer goed met die stagebegeleider. Ik krijg iemand anders met wie het beter klikt. Het beroep waarvoor ik leer, maatschappelijk werker, lijkt een onhaalbare zaak. In de heersende tijdgeest kan ik in dit werk niet volledig mezelf zijn. Mijn stage sluit ik gelukkig wel met een voldoende af. Ik kan verder met de opleiding. Alleen het vierde jaar nog, en dat is 100% theoretisch. Hoera!

Mijn scriptie schrijf ik over het onderwerp: Marketing en maatschappelijke dienstverlening, gaat dat samen? Je ziet dat ik het sociale domein door een zakelijke bril wil bekijken. Tegenwoordig is dat heel normaal, iedere taak is uitgesplitst, afgemeten en ingebed in een efficiënt systeem. Destijds kwam er in een gezin gerust 40 uur gezinshulp als de moeder in het ziekenhuis lag. Ik heb het als kind thuis meegemaakt. Met de huidige Wmo kun je je dat niet meer voorstellen.

In 1986 haal ik mijn Hbo-diploma. Daar zou ik mijn leven lang plezier van hebben. Maatschappelijk werker durf ik (nog) niet te worden. Het duurt tot 2002 voor ik op Hbo-niveau ga werken. Ik heb mijn buik vol van gewroet in mijn gevoelsleven. Aan dat van een ander ben ik niet toe. Ik heb mijn handen vol aan mezelf. Als secretaresse werk ik twee jaar op kantoor voor ik opnieuw een radicale wending geef aan mijn leven.

Daarover meer in een volgende memoir.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven