Tussen Havo en Sociale Academie, René en de Rabobank
1. René
De ontmoeting met René is bekokstoofd door mijn vriendin N en haar verkering R, beste vriend van René. Op 22 april 1979 tijgen we gevieren naar een strandje bij Willemstad. Die dag is het begin van een jarenlange vriendschap. Twee jonge stelletjes die veel samendoen: bij elkaar thuis hangen, uitgaan, op de brommer weg. Het hoogtepunt van onze vierhoeksverhouding is een vakantie op Ibiza in 1981.
Die zondagmiddag staan René en ik eerst wat schutterig tegenover elkaar. We zijn allebei verlegen. De bedoeling ligt er duimendik bovenop, maar willen we dit? Na een onwennig begin lopen we al na een uur hand in hand. N draait zich triomfantelijk om en feliciteert ons prompt. Ik stort me erin.
“Door hem ben ik pas werkelijk gaan leven.”
Op mijn zeventiende ga ik voor het laatst mee op vakantie. Mijn lief blijft thuis. Ik verveel me in saai Duitsland.

Mijn broer P maakt een foto. Eigenlijk kijken we allemaal een andere kant op.

René heeft een leven met gescheiden ouders en zelfs een uithuisplaatsing achter de rug. Dat maakt hem gesloten, maar zijn karakter is positief en hij zoekt koste wat het kost plezier. Op die koers vaar ik mee. Ik ben intussen zeventien, mag meer weg van thuis. Ik blijk wel degelijk een ‘uitgaanstype’ te zijn. Saturday night fever all over. Ik leer het regionale uitgaansleven kennen met etablissementen als: ‘Piet en Riet’, zaal Geerts en de Berenboot. Met René zit ik uren aan de bar te zoenen, ik dans (disco!) en het bier smaakt me uitstekend.
“Ik had nooit gedacht dat ik me nog eens zo kon uitleven bij een jongen. Ik was altijd zo geremd en bedeesd. Nu niet meer. Allemaal door René.”
Ik leer meer genieten, leef vrijer, ook buiten ons samenzijn.
Talloze malen denk ik terug aan Jaap en vergelijk ik de persoonlijkheden van beide jongens. Ik voel me bij René anders. Enerzijds doe ik minder mijn best, anderzijds hang ik nog steeds mijn ziel en zaligheid op aan mijn liefdesrelatie.
Mijn wantrouwen is groot. Door het plotselinge einde met Jaap, verdenk ik René om de haverklap van afhaken. Ik ben diep onzeker op dit punt. Ik zoek tot vervelens toe bevestiging bij hem. Die kan hij niet altijd geven. Wat daarbij niet helpt is dat René een simpele, praktische, nuchtere jongen is. Oprecht in zijn intenties, zonder woorden. En ja, die woorden wil ik nou juist zo graag horen. Ik twijfel wat af, blijf maar bang dat het uitgaat. Ik leef op de weekenden, huil veel en noem dat ‘depressief’. Mijn romantische ziel zit me danig in de weg.

Na ons eerste jaar verkering schrijf ik het volgende:
“Nu het nieuwtje van onze liefde eraf is, besef ik dat hij me niet altijd goed opvangt. Dat hij anders is dan ik, vrolijk, terwijl ik serieus ben. Ik ken hem niet, niet echt. Dat is grotendeels zijn schuld omdat emoties er bij hem zo moeilijk uitkomen. Het is een vreemde jongen, onpeilbaar. Soms lacht hij alleen maar, hoezeer ik ook probeer hem serieus te krijgen.”
Ik tart René met verwijten. Ik wil met verbaal geweld tot hem doordringen. Als ik te ver ga, raakt René overstuur:
“Zijn gezicht trekt dan wit weg. Niet mijn bedoeling natuurlijk. Schrik ik me weer dood en overlaad hem met gevoelens van spijt. Ik zou hem zo graag iets serieuzer zien, want dan kom ik meer over hem te weten dan altijd lachen, gieren, brullen.”
“Ik overdrijf. In bed is hij fantastisch lief (serieus) en erna ook, maar waarom alleen in en om het bed? Hij zegt weleens: ‘woorden, bij jou draait alles om woorden. Als het maar gezegd is, dan is het goed’.”
Mijn twijfel en dwingelandij verpesten de stemming. Zie ik dan niet dat die arme René de door mij gewenste bloemrijke taal helemaal niet machtig is? Zie ik dan niet dat ik niet alles naar mijn hand kan zetten?
“Op den duur zal René niet meer met zich laten sollen, van alles nemen, van alles goed vinden. Ik moet mezelf veranderen.”
Mooie zelfreflectie. Maar ach, het zou allemaal anders lopen. Het einde van onze liefde had een fatale oorzaak, waar we beiden niets aan konden doen.
2. Rabobank en beroepskeuze
Meteen na de Havo kom ik op de plaatselijke Rabobank terecht. Ik heb het laten gebeuren. Mijn moeder is een weduwe zonder veel kapitaal en na mij komen nog twee broers voor wie het belangrijk is dat ze kunnen studeren. Dus een werkende dochter helpt bij dit scenario. Het eerste jaar geef ik mijn loon af en krijg ik alleen zakgeld. Mijn protest tegen deze gang van zaken en de woede hierover voel ik pas jaren later. Wat een ongeëmancipeerde toestand! Saillant detail is dat beide broers hun studies niet eens hebben afgemaakt. Ach ja, je moet alles in zijn tijd zien.
René studeert in Driebergen bij het Instituut voor de Autohandel. Hij logeert bij een gastgezin en heeft het daar erg naar zijn zin. Ik zie hem alleen op zaterdag en zondag.
De begintijd op de bank kom ik moeiteloos door.
“Het is erg druk op m’n werk. Ik heb het goed naar m’n zin daar.”
Later worden mijn doordeweekse dagen zwaar. Ik werk 40 uur per week en leef op de dagen met René.
“Het werken op de bank is leuk, doch geen levensvervulling.”
Mijn stemmingen wisselen naar gelang het tijdstip in de week. Er sluipt sleur in het werken bij de bank én in mijn relatie.
“Tussen ons is het rustig, vredig, onstuimig, ontroerend, kortom gewoon goed.”
“Ik denk na over de zin van het leven. Stel ik word tachtig, dan heb ik geleefd van 1961 tot 2041. Daarna volgen generaties, andere mensen die ook weer sterven. Wat is een mensenleven en wat komt er daarna? Volgens mij niets. Niet dat ik er echt mee zit, maar het houdt me weleens bezig.”
Het is duidelijk dat ik meer wil dan alleen een baan om geld te verdienen. Ik wil ook meer dan alleen een liefdesleven. Langzaamaan krijg ik interesse in politiek en filosofie, ik lees feministische blaadjes en ik vind alles in de maatschappij interessant. Bovenal wil ik weg thuis, weg uit mijn dorp. De meiden op de bank sparen voor hun uitzet en trouwen een voor een. Dat is niet langer mijn ideaal. Ik honger naar een ander leven.
Kansen en mogelijkheden doen zich niet vanzelf voor. Ik word hoe langer hoe ongeduldiger.
“Wie weet hoelang het nog duurt eer ik een ander leven kan beginnen. Ik ben al negentien. Al negentien, omdat ik besef dat ik nú keuzes moet gaan maken voor ik helemaal vastroest. Pás negentien, omdat alles nog mogelijk is. Mijn hele leven ligt nog voor me. Ik wil geen sleurleven, vooral niet het geijkte patroontje, daar probeer ik sowieso van af te wijken. Na twee jaar bank wil ik nú wat anders en niet pas als we samen gaan wonen.”
Het komt natuurlijk goed. In september 1981 ga ik een klein jaar in het huisje van M wonen. Mijn zus is een jaar weg en biedt mij zo de kans om me los te maken van thuis. Een goed begin. In die periode leg ik het fundament voor de rest van mijn beroepsleven. Vaarwel Rabobank! Dag Fijnaart! Ik ga samenwonen met René en studeren in Breda. De vrijheid lonkt.
