Ik woonde ooit vier jaar in Frankrijk. Geen lange vakantie, geen sabbatical, geen stage of cursus, écht wonen. Onze auto had een Frans kenteken, de kinderen gingen naar school, mijn man werkte ’s nachts in een ziekenhuis. Toen terugkeer noopte, was ik een winter alleen, met drie kinderen onder de tien, in ons huis op het stille platteland. Elektriciteit was duur. Aangewezen op de open haard kwam ik de koude maanden door. De buurman kwam elke dag een kruiwagen hout brengen. A noemde me een femme courageuse, maar dat ervoer ik zelf niet zo. Ik vond mijn leven heel normaal. Het eenzame bestaan ging me goed af. Toenmalige echtgenoot P was in Nederland om daar opnieuw voet aan de grond te krijgen. Want uiteindelijk heeft ons gezin het niet gered. P zocht meer uitdaging in zijn professionele leven. Mijn jaren als louter moeder en huisvrouw waren geteld. Ik wilde mijn dagen niet vullen met iets als jam maken. Daar was ik te jong voor. Ik snakte naar ontplooiing. Zo streken we in 1998 neer te Putte op de Belgische grens. Een mislukte emigratie of een droom die best nog lang heeft standgehouden? Beide.
Ooit wil ik terug naar Frankrijk, nam ik me voor. Die gedachte heb ik al die jaren gekoesterd. Als inkomen gegarandeerd is, als geldzorgen niet meer aan de orde zijn, als de kinderen voor zichzelf zorgen. 28 jaar later ben ik met pensioen. Elke 23e van de maand verschijnt er vanzelf een bedrag op mijn rekening. Ik hoef niet meer te werken. Het staat mij vrij om een tijd in mijn geliefde land te zijn.
Maar nu zijn er weer andere obstakels. Toen ik vertrok uit Nederland was ik 32 jaar, nu ben ik 64. Ik denk aan het compliment van mijn Franse buurman. Misschien was ik destijds wel degelijk onbevreesder. Ik zag, in het zicht van de verhuizing, heus leeuwen en beren, maar die wist ik succesvol te verjagen (of werden mij uit het hoofd gepraat). Te verwachten voetangels en klemmen waren geen reden om van de onderneming af te zien. Bovenal vond ik het geweldig om in Frankrijk te wonen. Het land omarmde ik en die liefde is nooit meer overgegaan.
Dus?
Ik schuif de beslissing voor me uit. Ik heb mijn dochter J beloofd op M te passen tot ze vier jaar is. Haar broertje T heeft daar geen verandering in gebracht. De clichématige stip aan de horizon staat. Augustus 2027 is het zover.
Help?
Realistische overwegingen vieren hoogtij. Zo speelt geld nog wel degelijk een rol. Je schaft niet zomaar een tweede woning aan. Zo kapitaalkrachtig zit ik er niet bij. Bovendien brengt bezit verplichtingen met zich mee: opknappen, onderhoud, vaste lasten. Je zorgeloos settelen is er niet bij. Wat een gedoe ook allemaal! Verliep dit proces in de jaren negentig zonder slag of stoot? Nou ja, ik was jong en had een man die voortvarend te werk ging. Tot mijn vreugde en verdriet. De medaille had ook toen al twee kanten.

In 2021 zijn Jaap en ik in Simonshaven komen wonen. Bepaalde verlangens, geworteld in Frankrijk, zijn de afgelopen jaren vervuld. Zo stil als in Valeilles is het er niet, wel uitermate rustig. Ik heb een tuinhuis om in te schrijven. Ik struin door een wilde tuin. Geen zegen, maar ik aard er. Bij lekker weer eten we op ons dakterras en horen we allerlei vogels. Ik wandel binnen twee minuten ons gehuchtje uit en zie schapen, paarden, weilanden.
Kortom: waarom zou ik weg, als wat ik zoek nabij is?
En dan natuurlijk de kleinkinderen Dat groeit, dat praat, dat hecht zich aan je. Zodra ze me ziet vraagt M of ik een boekje met haar wil lezen en T klampt zich als een aapje vast aan een been van Jaap. Mijn hart krimpt samen als ik voor langere tijd afscheid moet nemen. Nu onze vakanties na elkaar vallen, schrijnt het gemis al.
Ik wil mijn Nederlandse bestaan niet opgeven, niet meer zoals toen, al ben ik nog steeds trots op mijn emigratie. Mijn buitenlandse jaren komen nogal eens ter sprake. Ik heb nooit fijner gewoond dan in Zuidwest Frankrijk, beweer ik jarenlang. Tot Simonshaven?
Er is een proces gaande.
Wat ik nog steeds wil: Frans spreken. Want ik ben uitgeleerd. Tegelijkertijd weet ik veel niet. Dat is frustrerend. Mijn niveau blijft steken bij B2, maar die eeuwige oefeningen, rijtjes, boekjes. Ik heb het gehad. Het is tijd om alle opgeslagen kennis aan te boren, te laten stromen en bloeien. Daarvoor moet ik (wederom) integreren tussen de Fransen. Ik wil hen horen. Ik wil me onderdompelen in de taal. Ik wil zelf praten.
In 2012 was ik op taalcursus in Rambouillet. Ik bleef er een week en sliep in een eigen studio. Iedere ochtend liep ik door het stadje naar de cursuslocatie, een kasteel. Ik vond het geweldig. Geen toerist zijn, naar de film gaan, door lege straten lopen, naar de markt in november. Ik wil gewone dingen doen en vooral niet snel terug hoeven. In 2021 was ik in Saint-Honoré-les-Bains, zelfde verhaal.
Oké, gaan dus.
Een onderkomen huren, in plaats van kopen, is de aangewezen weg. Waar (en hoe lang) precies, is een vraagstuk op zich. Misschien wordt het ‘gewoon’ Lille: een grote stad niet te ver van Nederland en overlopend van mogelijkheden. En wie weet leer ik daar van een Franse buurvrouw hoe ik zelf jam kan maken. Ik ben eraan toe.
À suivre!

Mooi geschreven.
Soms lijkt Simonshaven zo slecht nog niet. Alles lijkt beter, totdat je terug bent waar je geboren en geworteld bent. Simonshaven aan de Bernisse, klinkt niet Idyllisch, maar hoe voelt het? Word je gelukkiger in Frankrijk?
Aan de andere kant: als het jullie beiden trekt, gewoon doen! Nu of nooit!
Ik vergeet nooit dat jullie geen gordijn hadden voor het badkamerraam. Wanneer je op de wc zat keek je uit over een glooiend veld. Schitterend!
Mocht je jam willen leren maken, hier heb ik net weer bramenjam gemaakt zoals oma dat deed.
Mooie herinnering Debora! Zelf woon je nu ook idyllisch!
Het jam maken is symbolisch bedoeld, een metafoor voor tijd en aandacht voor de simpele gelukmakers in het leven.